Spelregeltest
Een goede scheids ziet alles, wordt er wel eens gezegd. Maar tussen een situatie zien en hem vervolgens ook juist beoordelen zit nog wel een wereld van verschil. Een uitstekende kennis van de spelregels bijvoorbeeld. Wat moet er gebeuren in welke situatie? Afgaan op de geluiden langs de lijn is zelden een verstandige beslissing. Wij als scheidsrechtersvereniging uit Gorinchem willen hier op geregelde tijden een verse lading met spelregelvragen neerzetten, waar jij je kennis uitgebreid kunt testen. Deze spelregelvragen zijn verstrekt door de KNVB. De antwoorden zijn onder de vragen te vinden.
Spelregelvragen zomer 2026
Vraag 1: In welke van de onderstaande situaties dient een uitgevoerde spelhervatting te worden overgenomen?
A. Een inworp wordt op onjuiste wijze uitgevoerd en de bal belandt bij een tegenstander die een aanval kan starten.
B. Een vrije schop wordt door een speler tactisch, maar niet op een onbesuisde of buitensporige wijze, tegen de rug van de tegenstander getrapt met de bedoeling de bal opnieuw te kunnen spelen.
C. Een scheidsrechtersbal wordt uitgevoerd voor een speler van partij A. Voordat de speler de bal speelt wordt de bal veroverd en gespeeld door een tegenstander die op het moment dat de bal de grond raakte op een afstand van 5 meter stond.
D. Een strafschop wordt per ongeluk twee keer geraakt door de nemer en de bal belandt in het doel.
Vraag 2: Een aanvaller in duidelijke scoringspositie wordt net buiten het strafschopgebied door een verdediger vastgehouden. De scheidsrechter past de voordeelregel toe, waarna dezelfde aanvaller direct doorgaat richting het doel en scoort. Wat moet de scheidsrechter nu beslissen?
A. Hij kent het doelpunt toe en toont de verdediger een gele kaart.
B. Hij kent het doelpunt toe en toont de verdediger een rode kaart.
C. Hij kent het doelpunt toe.
D. Hij keurt het doelpunt af en hervat met een directe vrije schop.
Vraag 3: Een toeschouwer probeert binnen het doelgebied de bal tegen te houden, die in het doel dreigt te gaan. Hij raakt de bal, maar deze verdwijnt toch in het doel en de toeschouwer hindert geen verdediger. Wat is de spelhervatting?
A. Een aftrap na geldig doelpunt.
B. Een doelschop.
C. Een indirecte vrije schop op de plaats waar de bal geraakt werd.
D. Een scheidsrechtersbal.
Vraag 4: Een verdediger van partij A bevindt zich op de doellijn tussen de palen en heeft een van zijn handen boven zijn hoofd in de lucht. Een aanvaller schiet de bal van dichtbij tegen de uitgestoken arm, waardoor de bal niet in het doel gaat, maar eroverheen. Wat moet de scheidsrechter beslissen als hij van oordeel is dat er van opzet geen sprake is, maar de arm het lichaam wel onnatuurlijk groter maakte?
A. De scheidsrechter geeft een strafschop aan partij B en zendt de verdediger van het veld door het tonen van een rode kaart.
B. De scheidsrechter geeft een strafschop aan partij B en geeft de verdediger een waarschuwing door het tonen van een gele kaart.
C. De scheidsrechter geeft een strafschop aan partij B.
D. De scheidsrechter geeft een hoekschop, omdat er van opzet geen sprake was.
Vraag 5: Een aanvaller, staande naast het doel en achter de doellijn van de tegenpartij, gooit een kluit modder naar een in het doelgebied staande verdediger. De scheidsrechter heeft dit gezien en onderbreekt hiervoor het spel. Wat is de beslissing van de scheidsrechter?
A: De aanvaller wegzenden en een indirecte vrije schop voor de verdedigende partij op een willekeurige plaats in het doelgebied.
B: De aanvaller wegzenden en een directe vrije schop voor de verdedigende partij op een willekeurige plaats in het doelgebied.
C: De aanvaller wegzenden en een scheidsrechtersbal voor de doelverdediger.
D: De aanvaller wegzenden en een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was toen het spel werd onderbroken.
Antwoorden: vraag 1 = D, vraag 2 = C, vraag 3 = A, vraag 4 = B en vraag 5 = B.

